Twitter iconFacebook icon
zoeken
| english
Passie
‘Wij hebben liefde voor het vak’

Seizoensvisserij: afweging van ecologische en economische effecten

IJMUIDEN – Seizoensvisserij, waarbij vis in de voortplantingsperiode extra beschermd wordt door sluiting van de visserij in de paaigebieden, kan een belangrijke bijdrage leveren aan verduurzaming van visserij. Het in de praktijk brengen is echter gecompliceerd, omdat paaigebieden en paaiperioden van verschillende vissoorten niet samenvallen. In een modelstudie in opdracht van de Stichting Vis & Seizoen heeft IMARES, Wageningen UR, onderzocht hoe het principe van seizoensvisserij in de platvisvisserij kan bijdragen aan duurzame exploitatie van doelsoorten als schol en tong en wat de gevolgen zijn voor ongewenste neveneffecten van de visserij. Een samenvatting van de hand van de onderzoekers Adriaan D. Rijnsdorp, Harriët M.J. van Overzee en Jan Jaap Poos.

 

De resultaten van de studie, die afgelopen week op het internationale platvissymposium gepresenteerd zijn, maken het aannemelijk dat een sluiting van de visserij in de paaiperiode van schol overwegend positieve effecten zal hebben: verhoging van de volwassen stand van schol, vermindering van de bijvangst van kabeljauw, vermindering van de evolutionaire veranderingen en een verhoging van de besomming. Maar er is ook een negatief effect te verwachten: door herverdeling van de visserij buiten de paaigebieden of buiten het paaiseizoen neemt de impact op het ecosysteem op de zeebodem toe. Sluiting van de visserij in de paaiperiode van tong resulteert alleen in combinatie met sluiting van de eerdere scholperiode tot positieve effecten. 

 

De voortplantingsperiode van geëxploiteerde vissoorten vormt een kritische fase waarin de basis wordt gelegd voor de aanwas van een nieuwe generatie jonge vis en de visserijmogelijkheden in de toekomst. Visserij in de paaiperiode kan tot negatieve effecten op het voortplantingssucces leiden door het wegvangen van een deel van de ouderpopulatie voordat ze zich kan voortplanten, en door verstoring van het natuurlijke gedrag. 

 

Bescherming van de paaipopulatie is vooral belangrijk voor overbeviste bestanden waarvan de paaipopulatie onder de voorzorggrens ligt. Maar ook voor gezonde visbestanden is bescherming tijdens de paaiperiode belangrijk, omdat het de selectie voor ongewenste genetische veranderingen kan doen verminderen. Voor het voortplantingssucces van de populatie zijn vooral de grotere en oudere dieren belangrijk, omdat deze relatief veel eieren van hogere kwaliteit produceren. Bij veel vissoorten zijn deze oudere dieren juist tijdens de paaiperiode gemakkelijker vangbaar, omdat zij zich in de paaigebieden concentreren. 

 

In het beheer van zoetwatervis is het gebruikelijk dat er tijdens de paaiperiode niet gevist mag worden. In de zeevisserij wordt aan het beschermen van vissen tijdens deze kritische periode nauwelijks aandacht gegeven. Het sluiten of verminderen van de visserij in de paaiperiode kan naast biologische redenen ook om economische redenen voordelig zijn indien kuitzieke of uitgepaaide vis een lagere prijs opbrengt. 

 

Scenario's

In Nederland pleit de Stichting Vis & Seizoen ervoor om vissen alleen buiten de paaiperiode te bevissen. In de visserij wordt al jaren gediscussieerd over het extra beperken van de visserij tijdens de paaiperiode van schol. Ook de Stichting De Noordzee bepleit om schol 'zwangerschapsverlof' te gunnen. 

 

Deze studie is een verkennende analyse naar de effecten van seizoensvisserij in de Noordzee platvisvisserij. De studie analyseert de effecten van een sluiting van de visserij in de paaiperiode van schol en tong. Naast de effecten op de bestandsgrootte van de hoofdsoorten van de platvisvisserij, schol en tong, wordt ook het effect onderzocht op de commercieel belangrijke bijvangstsoorten tarbot en griet. Ook wordt het effect op een aantal ecosysteem indicatoren doorgerekend, namelijk de bijvangst van kwetsbare vissoorten zoals roggen, het effect op het bodemecosysteem en de evolutionaire effecten. Ten slotte is ook gekeken naar het effect op de bijvangst van de kabeljauw aangezien deze vis er slecht voor staat en het beheer erop gericht is om de bijvangst zoveel mogelijk te beperken. De onderzochte beheerscenario’s zijn:

 

1 – referentiescenario met waargenomen visserij in de periode 2003-2007;

2 - sluiting van de visserij in de paaiperiode van schol (week 1 tot en met week 8);

3 - sluiting van de visserij in de paaiperiode van tong (week 12 tot en met week 20);

4 - combinatie van scenario´s 2 en 3.

 

De visserij die door de sluiting niet meer in de paaigebieden kan vissen is op twee verschillende manieren herverdeeld. In herverdeling-scenario A is de visserijinspanning binnen iedere week herverdeeld over gebieden die open blijven. In herverdelingscenario B is de visserij helemaal herverdeeld buiten de gesloten paaiperiode. De zeedagen werden herverdeeld in evenredigheid met de waargenomen zeedagen. In het scholscenario moest ongeveer 88% van de zeedagen in de sluitingsperiode herverdeeld worden. In het tongscenario werd ongeveer 23% van de zeedagen herverdeeld. De gesloten gebieden voor schol en tong zijn weergegeven in Figuur 1.

 

De basis van de analyse wordt gevormd door de ruimtelijke verdeling van de Nederlandse boomkorvisserij en de ruimtelijke verdeling van de  leeftijdsgroepen van de belangrijkste vissoorten (schol, tong, tarbot, griet, kabeljauw, roggen). Als door een gebiedssluiting de zeedagen worden herverdeeld naar gebieden waar meer of minder van een bepaalde leeftijdsgroep voorkomt zal de visserijsterfte veranderen. Uit de overlap in de verspreiding van de visserij en de vis kan dus het selectiepatroon - de visserijsterfte per leeftijdsgroep – worden bepaald. De consequenties voor de geëxploiteerde bestanden kunnen worden berekend door het selectiepatroon te combineren met informatie over de groeisnelheid, de lengte waarop een soort geslachtsrijp wordt en de seizoenveranderingen in de prijs per marktsortering (Figuur 2).

 

De belangrijkste resultaten van de studie laten zien dat sluiting van de visserij in de paaigebieden van tong overwegend een klein maar negatief effect heeft. Sluiting van de visserij in de paaigebieden van schol heeft overwegend positieve effecten. Ook in combinatie met de sluiting van de tongpaaigebieden is er een overwegend positief effect zichtbaar. De belangrijkste positieve effecten zijn een verhoging van de volwassen stand van schol en griet, een  vermindering in de evolutionaire selectie en bovenal een reductie in de bijvangststerfte van kabeljauw en rog.

 

Het enige negatieve effect is dat de invloed op het bodemecosysteem toeneemt doordat de visserij zich herverdeelt over relatief licht beviste gebieden. Een opvallend resultaat is ook dat het positieve effect op de besomming groter is dan het effect op het vangstgewicht. De scholpaaisluiting leidt tot een  gemiddeld hogere visprijs, omdat de schol vooral in de periode wordt gevangen dat de prijs hoger is. De effecten van de paaisluiting zoals berekend voor de referentieperiode 2003-2007 verschillen weinig van de verwachte effecten voor de situatie waarin de visserijinspanning is verminderd tot het niveau van MSY. Ook in een visserij bij MSY zijn de effecten van een schol, en een gecombineerde schol–tongsluiting, overwegend positief.

 

Bovenstaande resultaten moeten met de nodigde voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Deze resultaten gaan over de gemiddelde vloot en zijn dus niet direct door te vertalen naar die van een individuele visser. De betrouwbaarheid van de uitkomsten wordt bepaald door de nauwkeurigheid van gebruikte basisgegevens en de modelformulering.

 

De seizoenpatronen in de verspreiding van de vis zijn gebaseerd op de vangstgegevens van de boomkorvloot en de beschikbare biologische monsters waarmee de leeftijdsverdeling kon worden bepaald. De commerciële vangstgegevens en de verhouding van de marktsorteringen kunnen mogelijk vertekend zijn door het discarden van vis ten gevolge van het quotabeheer (over-quota vangsten en ‘high-grading’).

 

Daarnaast is de ruimtelijke verdeling van de jongste leeftijdsgroepen mogelijk onnauwkeurig, omdat deze is gebaseerd op de vangsten van de leeftijdsgroep die de marktwaardige lengte heeft bereikt. Omdat voor 1 jaar oude vis geen gedetailleerde informatie beschikbaar was, moest worden aangenomen dat de verdeling gelijk was aan die van 2 jaar oude vis. Waarschijnlijk dat het aandeel van de 1 jaar oude vis op de visgronden is overschat. Immers, alle vier de platvissoorten brengen hun jeugdjaren door in de ondiepe kustgebieden. Desondanks komen de gevonden verspreidingspatronen in grote lijnen overeen met de bekende migratie van jonge vis vanuit de kustgebieden naar volle zee en de migraties tussen de paaigebieden en de voedselgebieden. Door het ontbreken van internationaal aanvaarde duurzaamheidsindicatoren, is in deze studie een eigen keuze gemaakt. De gekozen indicatoren zijn een reflectie van de onderwerpen die in het maatschappelijk debat over de ecosysteemeffecten van de platvisvisserij worden genoemd, maar pretenderen geen volledig beeld te geven. Ook zijn er alternatieve indicatoren denkbaar. In het maatschappelijk debat zullen de betrokken partijen de indicatoren verschillend waarderen.

 

Deze studie illustreert dat het mogelijk is om een wetenschappelijke onderbouwing te geven van de effecten van beheerscenario’s op een aantal ecologische en economische indicatoren. Deze wetenschappelijke uitkomsten kunnen vervolgens worden gebruikt om in overleg met verschillende betrokken partijen – visserij, vishandel, ngo’s, beheerder, etc. - een keuze te maken waarin de verschillende doelstellingen worden gewogen. Onze studie laat zien dat in het geval van de gemengde visserij een compromis gevonden zal moeten worden tussen de positieve en negatieve effecten van de verschillende beheerscenario’s. Een belangrijk resultaat van onze studie is dat een reductie van de Nederlandse boomkorvisserij in de paaiperiode van schol een aanzienlijke reductie van de bijvangst van kabeljauw zal geven.

 

Bron: Visserij Nieuws 18 november 2011